www.sailing-dulce.nl

Logboek 2020/1 Naar Antarctica

Bark Europa, Weddellzee

Een hele grote tafelijsberg in de Weddellzee.
Een hele grote tafelijsberg in de Weddellzee.

Zondag 01-03-2020

Het zit gistermiddag vol in de bibliotheek, waar ik gemend ben rustig op mijn eentje mijn verslagen te maken (2 foto’s hier). Had ik maar niet verteld dat je daar lekker ongestoord kunt werken en dat onder alle tafeltjes stopcontacten voor je laptop zitten. Maar de aanwezigheid van anderen heeft ook voordelen, van Laurence uit Luxemburg krijg ik op mijn USB-stick een aantal foto’s die ze van mij aan het stuurwiel maakte plus een kopie van de film die ze schoot tijdens de vreselijke stormnacht in de Drake Passage. Regelrecht spectaculair. Richard, de fotograaf van de crew, geeft een lezing over fotograferen in Antarctica en op het schip . Hij heeft nuttige tips, zoals dat je het bij voorkeur niet moet doen met de zon achter je, zoals ik gewend ben. Dan krijg je geen reliëf door schaduwen en die maken juist dat contouren beter uitkomen. En ga bij het fotograferen van pinguins en andere dieren vooral door de knieën; dan staat niet alleen de grond erop maar ook lucht en achtergrond. Geeft meer dynamiek. En zet voor de schaal bij voorkeur een mens of het schip op een foto erbij.

 

Vanmiddag spreek ik eindelijk eens met de Slovaakse neutrino-professor Livia. Een gezellige, rondborstige en goedlachse dame die aan het wereldberoemde Gran Sasso laboratorium in Italië is verbonden, een instituut dat niet alleen de oscillatie onderzoekt van dat geheimzinnige deeltje, maar al vele jaren op zoek is naar de vraag wát donkere materie eigenlijk is. Iemand die aan de frontlijn van de fysica werkt. Heel erg leuk om met haar te praten.

     Het schip zeilt rustig door terwijl wij voor het eten in het dekhuis aan de borrel gaan. De motoren zijn uit. Het valt me op dat alle Australiërs onder de passagiers nog steeds boos zijn op hun regering en premier Scott Morrison, die niets wil doen aan de opwarming van de wereld. Ze zijn fatalistisch, het heeft allemaal geen zin, de kolensector heeft de macht in het land.

     Na het eten is het dagelijks praatje van kapitein Erik in het dekhuis (foto hier). We gaan inderdaad De Weddellzee in en op weg naar de 150 mijlen zuidelijker gelegen Danger eilanden, een kleine archipel in de koude zee ten oosten van het Antarctisch schiereiland. Waarom de eilanden zo heten, weet hij niet, dat zal ik nog eens zien op te zoeken hier in de bibliotheek. Op zeker tijdstip zullen we ook op het schiereiland landen, in de buurt van de Antarctic Sound, de doorgang tussen Joinville eiland en het vasteland. Eerst moeten dan een stuk Weddellzee door naar de Erebus and Terror Gulf. Die namen!

 

Vervolgens heeft mijn groep wacht. Martin uit Berlijn regelt voor ons steeds de indeling en de koppels. We hebben een noordenwind, dus wind van achter, die later naar het westen krimpt. Ik heb tweemaal uitkijk en eenmaal stuurwiel met Donna, een rijzige weduwe van 61 jaar, niet onknap en uit Australië. Haar vrijetijdswoning is tijdens de bosbranden vrijwel verloren gegaan. Daar zitten we dan, in de motregen naast elkaar op de trommels van de dikke landvasten elkaar onze levensverhalen te vertellen. Allebei driemaal getrouwd maar ik had meer geluk dan zij; mijn Anna leeft goddank nog. Overigens is er vooruit vrijwel niks te zien. De schijnwerper op de boeg is uitgevallen en twee technici van de bemanning zijn bezig hem te repareren. Een tamelijk eng gevoel in een ijzige zee met zoveel ronddrijvende grote en kleine ijsbergen. Gelukkig hebben ze radar op de brug.

     Tussen onze wachtbeurten door zitten we in het dekhuis, waar men flauwe grappen maakt en spelletjes doet. Ik doe maar of ik zit te dommelen, om niet mee te hoeven doen. Later geeft matroos Brian les in de meest elementaire knopen, zoals de knoop die bij ons de schootsteek heet.

     Bij de laatste shift met Donna op het schuin staande voordek doet de schijnwerper het weer. In de lichtcirkel vliegen en buitelen drie kleine witte vogels over de golfdalen en toppen heen, die ons van  achteren inlopen. Steeds komen ze bij de boeg vandaan en scheren een eind weg en keren steeds terug, alsof het een spel is. De snijdende westenwind trekt aan en vier bemanningsleden komen de voorzeilen innemen. Na de wacht ga ik meteen naar kooi, morgen weer wacht, van 8 tot 14 uur, dus om zeven uur op.

 

Om vijf voor zeven maakt Martin uit Berlijn me wakker. We hangen erg scheef en het schip stampt behoorlijk. Mezelf scheren is slecht te doen, ik sla het maar over. De nieuwe wacht van zes uur lang heb ik de plezante Belg Jan als partner. De eerste shift is op de uitkijk. De westenwind is 28 knopen, er is een hoge zeegang en overal om ons heen zien we nu ijsbergen (2 foto's hier). Grote drijvende tafelbergen, plat van boven, andere veel grilliger en gruiziger. Dat zijn growlers, die soms prachtige doorzichtig-blauwe kleuren vertonen. De wind jaagt natte sneeuwvlokken over het dek. We hebben de taak om met een walkie-talkie de positie van nieuwe ijsbergen aan het stuurhuis te melden. ‘Medium iceberg at 12.300 hours, 300 metres’, roept Jan in het apparaat. De brug bevestigt en geeft koerswijzigingen door aan het duo bij het stuurwiel op het achterdek. Recht voor ons op 2 tot 3 mijlen afstand doemt een hele grote witblauwe tafelberg op (foto hierboven); hij heeft de omvang van een middelgrote stad. Bijvoorbeeld Gorcum, en dan moet je je voorstellen dat er nog tienmaal zoveel ijsmassa onder water zit.Ondertussen zijn we al een tijdje de 60 graden zuiderbreedte gepasseerd. Op weg naar onze tweede shift, nu bij het stuurwiel, zie ik op de brug dat we nog 54 mijlen te gaan hebben en dat de SOG tussen de 4 en 5 knopen bedraagt. We zullen dus in het holst van de nacht bij de Danger eilanden aankomen. Om half twaalf passeren we niet ver van weer zo’n grote tafelijsberg, waarschijnlijk een stuk dat afbrak van de uitgestrekte Larsen ijsplaat (foto). Hoe dieper we de Weddelzee binnenvaren, hoe meer ijsbergen van alle soorten en formaten. Sterns zwieren traag over de golftoppen. Sommige growlers zien er uit als sierlijke blauwe spoken, die een langzame en sluipende dans uitvoeren (foto).

     Op de terugweg kijk ik in het stuurhuis. We zitten nu op 54 graden en 36 minuten zuiderbreedte, de wind begint af te nemen, de SOG is bijna geen 4 knopen meer, het is nog 50 mijlen varen. Ik neus in ‘A field guide to ice’ van James H.C. Fenton (2009), die op een schap ligt en lees over de ijskappen en de gletschers ‘at higher elevations where snow accumulates, i. e. snow fall exceeds snow melt’ en over ‘lower parts, where melting exceeds snowfall’. Het is misschien een kwestie van verschil in albedo, van terugkaatsend vermogen tussen verse en oudere sneeuw. Ik weet het niet, het is ingewikkeld, maar dat hoewel in verschillende mate het hele continet opwarmt staat wel vast.

     De wind is ingezakt, de kapitein start de motoren, we varen steeds dieper de Weddellzee in. Wat een avontuur! Terug naar boven