www.sailing-dulce.nl

Logboek 2019/2 Voorjaar in Gorinchem

Gorinchem (241)

Zondag 14-04-2019

Gisteravond en vandaag denk ik veel terug aan de film die we gisteren zagen in het Internationaal Film Festival Gorinchem (IFFG) in Theater De Peeriscoop: 'Another day of life' uit 2018 van de Spanjaard Raúl de la Fuente en de Pool Damian Nenow, een film gebaseerd op het eerste boek van de toen nog volledig onbekende journalist Ryszard Kapuściński (1932 - 2007). Hierboven een trailer van de film. Het boek verscheen in 1976, de film draagt dezelfde titel. Het is een hartverscheurend verslag van de dekolonisatie van Angola en de burgeroorlog die toen losbarstte en tot in de jaren 90 zou duren. Daar gaat de film ook over, grotendeels in een nogal bloederige animatie en met recente interviews met mensen die Kapuściński destijds ontmoette. Zoals de commandant van de FAPLA, het leger van de bevrijdingsbeweging MPLA, die met een handjevol manschappen vergeefs trachtte de inval van begin november 1975 van het Zuidafrikaanse leger in het zuiden te weerstaan. Die man was een overgelopen militair van het Portugese koloniale leger, zoals er na de Portugese Anjerrevolutie van 1974 zich meer soldaten bij de linkse bevrijdingsbeweging voegden. Destijds heb ik er een aantal ontmoet, sterk gemotiveerde, idealistische mensen die fel geloofden in de sociale revolutie die de MPLA beloofde te brengen - en die uiteindelijk niet doorging. Het gewapende  conflict in Angola tussen de bewegingen MPLA, FNLA en Unita werd destijds uitgevochten als proxy war, een onderdeel van de Koude Oorlog tussen de westerse landen en het Sovjetblok. In de jaren 1975 en 1976 werkte ik als dokter voor de MPLA in de olieprovincie Cabinda, waar niet alleen tegen het FNLA gestreden werd, maar ook nog tegen een lokale afscheidingsbeweging, het FLEC. Wie er meer over lezen wil kan terecht in deel 3 van mijn romancyclus "Soms priemt een lichtstraal'. Over de verwording van de Angolese revolutie zou ook een treurig boek te schrijven zijn en waarschijnlijk is dat ook wel gebeurd.

 

In september 1975 wachtte ik twee weken in de hoofdstad Luanda totdat ik door kon vliegen naar de enclave Cabinda. Een Luanda dat bepaald minder overhoop lag dan in de film getoond werd. Hoewel het bijna een frontstad was - waar op slechts zestig kilometer naar het noorden gevochten werd tussen MPLA en FNLA, waarbij laatste dreigde de watertoevoer naar de stad af te sluiten - functioneerde Luanda eigenlijk heel redelijk. Uiteraard was het er vuil en was er voortdurend confusāo, zoals die altijd en overal in het land heerste, verwarring vanwege stagnerende aanvoer, bureaucratie en het overhaaste vertrek van de Portugese bovenlaag, maar het overgrote deel van de bevolking gedoreg zich toch tamelijk gedisciplineerd.

     De MPLA bracht me die twee weken onder in het verlopen Hotel Tivoli. Dat is er nog steeds. Daar ontmoette ik af en toe in het kale ontbijtzaaltje (waar bijna niks te krijgen was) en aan de bar een kalende Poolse journalist. Dat was Kapuściński, toen nog volledig onbekend en een van de weinige buitenlandse journalisten die in de hoofdstad gebleven was. Hij viel me niet erg op, ik was meer gespitst op de kansen om zo snel mogelijk door te reizen naar Cabinda, maar ik herinner me dat hij zich dodelijk verveelde en dat hij niet naar het zuiden mocht. Ik had nog nooit van hem gehoord. Wel van zijn collega René Lefort, die voor Le Monde werkte, en een beroemdheid was. 's Avonds bespraken we met zijn drieën de toestand in de lege hotelbar met een fles Wodka, die Kapuściński op de zwarte markt wist te versieren. Dat beschrijf ik in mijn boek. Ik leerde er ook de jonge journalist Derk Sauer kennen, die voor de toen zeer linkse Nieuwe Revue werkte. Later kwam hij nog in Cabinda langs voor een reportage.

 

De beelden van de film hebben flinke impact op me; ze brengen veel van mijn ervaringen in de herinnering terug. Niet alleen het op zijn Angolees uitgesproken Portugees. De melancholie van Kapuściński keert in de film sterk terug en overweldigt me. Ja, zó zag het eruit, zó was het. Oorlog is niet alleen geweld en dood, maar ook loodzware melancholie en wachten. Toen circa een week voor de onafhankelijksdatum (11 november 1975) een Zuidafrikaanse legermacht vanuit Namibië het zuiden binnenviel en snel richting Luanda oprukte en stad na stad innam, dachten we dat de Volksrepubliek nog voor de oprichting zou instorten. In Cabinda viel een gecombineerde strijdmacht van FNLA en reguliere troepen van het Zaïre van dictator Mobutu vanuit het zuidoosten binnen, slechts 35 kilometer van ons ziekenhuis. Daar bereidden we ons voor op een stroom gewonden en op een eventuele vlucht met kano's over zee naar de boorplatformen van de Franse oliemaatschappij Elf als de vijand zou doorbreken. Toen kwamen de Cubanen. Ze coupeerden de Zuidafrikaanse inval en ook die bij ons; bovendien namen ze ons ziekenhuis over. Daardoor werden we eigenlijk overbodig. Niet veel later gingen we naar de noordelijke helft van de provincie om de andere ziekenhuizen te heropenen.

     Het is grappig om in de film te zien dat Kapuściński kennelijk worstelde met de vraag of hij de scoop van die Cubaanse troepensteun, die onder strikte geheimhouding van de MPLA stond, mocht publiceren. Uiteindelijk deed hij het als geëngageerd journalist niet, terwijl het onder de militanten van de MPLA en ook bij ons al heel snel bekend was. En dan de telexmachine! Ik zie hem in de film terug. Wie kent nog de telex? Alle keren dat ik in Luanda was, was het ongeveer mijn lifeline met Holland. In onze tijd van mobieltjes en rücksichtlose bereikbaarheid is dat niet meer voor te stellen. Maar voor alles was er die sfeer van zinloosheid, vooral die komt tijdens de film weer bij me boven. Zoals Kapuściński in eerste regel van zijn boek het uitdrukt: 'This is a very personal book, about being alone and lost'. Ja, het viel om de donder niet mee.

 

Vandaag overwegend zon. Vanmiddag gaan we naar de verjaardagspartij van een wederzijdse vriendin op Fort Vuren. Ze wordt zestig. Hoe aangenaam jong nog. Terug naar boven